Kracht en/of zwakte van het grote verhaal

Voortgezet gesprek over Oer

‘Het grote verhaal van nul tot nu’. Dat is de ondertitel van de zeer succesrijke publicatie Oer. Bert de Leede en Gijsbert van den Brink gingen erover met elkaar in gesprek in Wapenveld (jaargang 70/nr.6). Ik vond dit gesprek zeer boeiend en inzichtgevend.  De reden waarom ik er hier op terugkom is tweeledig.

In de eerste plaats verbaast het mij dat er niet meer en breder op dit gesprek en op de hele thematiek is gereageerd. Mijn indruk is dat er een soort patstelling is ontstaan: je bent het met de schrijvers van Oer zo ongeveer eens, althans je ervaart dit boek als een bevrijding teneinde tegelijk gelovige en bij de tijd te kunnen zijn. Dat er eventueel nog ingewikkelde details zijn laat je verder voor het wat het is. Of je bent het met de schrijvers van Oer helemaal niet eens, maar je hebt de argumenten allemaal al eens eerder genoemd en je beschouwt de discussie nu dan maar als min of meer gesloten. Deze patstelling betreur ik, want juist na het lezen van het genoemde gesprek dacht ik: er is aan beide scribenten en de daarbij behorende posities nog zoveel te vragen.

Wat mijzelf betreft geldt dat ik me zeker aangesproken weet door de schrijvers van Oer, vooral in hun verlangen naar een samenhangende visie waarin geloof en wetenschap bij elkaar komen. Daarbij gaat het om de ene God en de ene werkelijkheid, het niet berusten in welk dualisme dan ook vanwege de eenheid van God zelf. Evenzeer weet ik me aangesproken in het missionaire verlangen onnodige struikelblokken voor het christelijk geloof weg te nemen. We zijn geroepen vandaag het christelijk geloof zo te communiceren, dat een verouderd wereldbeeld daarbij niet in de weg staat. Positief gesteld, we zijn geroepen onze tijdgenoten duidelijk te maken dat het in het christelijk geloof niet alleen maar gaat om een persoonlijke relatie met Jezus, maar dat het allereerst gaat om het ontvangen van een nieuw perspectief op de hele werkelijkheid, dat bepalend is voor alle denken en doen.

Maar juist hier beginnen dan ook mijn vragen, waarvan ik hoop dat we daar in de theologische bezinning in de komende tijd verder mee komen. En dat is dan ook de tweede reden waarom ik graag op het gesprek tussen Van den Brink en De Leede terugkom.

Sterke bekoring
Ik zou zelf geholpen zijn met een voortzetting van het gesprek op de volgende punten: 1. De missionaire waarde van het grote verhaal. 2. De verhouding tussen de onpersoonlijke God van de miljarden jaren en de God die zich persoonlijk laat kennen. 3. De relatie tussen een theïstische evolutieleer en een christelijke eschatologie.

In de jaren tachtig van de vorige eeuw zong het steeds rond: het tijdperk van de grote verhalen is voorbij. Oer lijkt daar niet mee te rekenen. Uitdagend luidt de ondertitel: ‘Het grote verhaal van nul tot nu.’ Zelf merk ik, dat zo’n ondertitel me raakt. Ik ben diep in mijn hart ondanks de postmoderne omwenteling van de cultuur altijd nog iemand die hunkert naar een groot verhaal. Ik weet niet of dat komt vanwege het feit dat ik een kind ben van de tweede verlichtingsgolf in de jaren zestig of omdat mijn persoonlijkheidsstructuur hierop afgesteld staat.

Hoe dan ook, ik heb daarentegen in het missionaire werk de afgelopen jaren gemerkt dat mijn veelal jongere gesprekspartners helemaal geen belang meer hadden bij een groot verhaal. Onlangs had ik nog een diepgaand gesprek met een dertiger aan wie ik liet merken dat van een groot verhaal zoals in Oer geboden voor mij wel een sterke bekoring uitgaat. Hij keek me bijna medelijdend aan, zelf had hij aan het fragmentarische genoeg en wantrouwde hij elk groot verhaal als een al te doorzichtige constructie, die altijd toch weer op het leven zelf stuk zou slaan. Het gesprek raakte me, omdat ik iets herkende dat ik al veel vaker was tegengekomen, alleen nooit op zo’n gearticuleerde manier verwoord.Hoe missionair is dit grote verhaal?

Mijn sluimerende vraag aan de schrijvers van Oer werd helemaal wakker: hoe missionair is dit grote verhaal in onze huidige cultuur? Zijn de schrijvers van Oer zelf niet uiterst schatplichtig aan de moderniteit? Ik heb hier niet direct een oordeel over, want ik ben zelf ook nog steeds schatplichtig aan de moderniteit, maar ik ben daarover wel steeds in gesprek met mezelf.

Niet alleen in cultureel opzicht, maar ook als gelovige. In het verleden werd ik geboeid door de grote systeembouwers in de theologie, ik onderging de bekoring van totaalvisies. Tegelijk moest ik het persoonlijk steeds meer gaan doen met fragmentarisch geloven en ik ontdekte daardoor dat het in de Bijbel vaak niet anders was. De heilshistorische theologie van het grote verhaal van het Oude Testament, zoals verwoord door iemand als Gerhard von Rad, bleef z’n bekoring houden. Maar mij ging toch veel meer opvallen dat de gelovigen in het Oude Testament dit verhaal van Von Rad in ieder geval niet bij de hand hadden. Zij zagen meestal dat alle grote verwachtingen weer werden afgebroken en dat hun geloof vaak meer iets weghad van een narrow escape dan van een kloppend verhaal. Een nieuwe missionaire context zorgt ervoor dat je de Bijbel met nieuwe ogen leest en vaak is die context al in jezelf aanwezig eer je er erg in hebt.

Mijn vraag is nu de volgende. Is het alleen een teken van zwakte, van niet door willen en durven denken over de dingen wanneer mensen met  de theoloog Noodmans zeggen: laten we die miljarden jaren maar rustig laten zwemmen, wij hebben meer dan onze handen vol aan de zesduizend jaar? Ieder zegt dat weer op zijn eigen manier, maar is het alleen maar een zwaktebod? Daarbij komt dan mijn overtuiging dat dit eventuele zwaktebod in een aantal gevallen vandaag missionair beter werkt dan de constructie van een groot verhaal.

In de traditie van de kerk heeft altijd het besef geleefd dat God te groot is om alleen persoonlijk te zijn. Deus semper maior. Dat besef is ook terug te vinden in artikel 1 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: God is een eeuwig, onbegrijpelijk, onzienlijk etc. geestelijk Wezen. Zo’n soort definitie van God geeft niet alleen aan dat Hij meer is dan persoonlijk, maar maakt het ook mogelijk op filosofische manier over God te spreken, het gesprek te voeren met het algemeen menselijke denken over zoiets of iemand als God. Ik ben daarvoor, want ik vind dat Jeruzalem en Athene met elkaar te maken hebben, ik wil geen scheiding van geloof en wetenschap. Naar mijn idee wordt het wel ingewikkelder wanneer we het filosofische godsbegrip concreet gaan invullen met het godsbegrip van de theïstische evolutie.

Loodrecht
Het eeuwige onbegrijpelijk geestelijk wezen en de openbaring van dit Wezen in de tijd roepen iets op van een loodrecht gebeuren, terwijl bij de God van de theïstische evolutie eeuwigheid vervangen wordt door miljarden jaren. Miljarden jaren scheppen een duizelingwekkende afstand, meer dan het woord eeuwigheid ooit kan doen. Tegelijk is God dus in al deze miljarden jaren van ontzagwekkende gebeurtenissen, die alle verbeeldingskracht te boven gaan, maar waarin in ieder geval alle leven steeds verder zich ontwikkelt door dood en verwoesting heen, de actor. Dat zou Hem dan weer dichterbij moeten brengen, maar wanneer ik in Dinoland rondloop, lukt me dat echt niet. Het lukt me pas wanneer ik God van meet af zie als het grote geheim van leven, licht en liefde, oerbron van die krachten in de werkelijkheid die er tot op de dag van vandaag zijn en die het ons uit doen houden in het barre bestaan.

Op deze wijze hebben Teilhard de Chardin en later verschillende procestheologen geprobeerd tot een synthese te komen tussen de oerbron van alle evolutie en  Jezus, in wie God ons persoonlijk ontmoet als leven, licht en liefde. In de tijd dat ik nog meer dan nu door de grote verhalen bekoord werd, ging er voor mij ook bekoring uit van deze theologen. Uit  Van den Brinks studie En de aarde bracht voort begreep ik dat hij het niet als een uitdaging ziet, diepgaand met deze theologen in gesprek te zijn om zo tot een eigen concept te komen.

Ik denk dat dat wel moet. Zoals Het grote verhaal van nul tot nu thans bij mij overkomt, vind ik de God van de miljarden jaren en de God die de mens tevoorschijn roept niet sterk genoeg in elkaar verweven. Anders gezegd: die tweede had ik miljarden jaren lang niet zien aankomen. Even word ik zelfs verleid om te denken: die hebben wij mensen zelf verzonnen, toen we begonnen na te denken over het raadsel van ons bestaan en naarmate we onszelf meer ontwikkelden kreeg die god ook meer persoonlijke trekken, werd hij een door onszelf geschapen persoonlijk tegenover.Veertien miljard jaar, daar kun je je als mens geen beeld van vormen

Mijn derde vraag hangt hiermee samen. Op de laatste bladzijde van Oer wordt gezegd dat er nog een tijd aankomt die alles van de afgelopen veertien miljard jaar gaat overtreffen, het komt goed en de Schepper van veertien miljard jaar geleden gaat al het goede uit de oude wereld gebruiken op zijn nieuwe wereld. Dit is dan wat de kerk bedoelt met de belijdenis dat Jezus wederkomt. In Oer wordt het allemaal wat simpeler voorgesteld dan in de studie En de aarde bracht voort. Maar als dit de kleine munt is waarin deze studie wordt uitbetaald, heb ik er nog meer moeite mee dan ik eerst al had.

Veertien miljard jaar is een volkomen abstractie, geen tijd waar enig mens zich een beeld van kan vormen. Door de geschiedenis van Jezus en de komst van Gods Koninkrijk met deze abstractie te verbinden, dreigen die in deze abstractie ten onder te gaan. Wanneer de veertien miljard jaar geen abstractie blijven, maar werkelijk op een voorstelbare tijdlijn worden neergezet, betekent het dat we er niet om moeten malen wanneer de wederkomst van Jezus nog een paar duizend jaar duurt, want duizend jaren stellen helemaal niets voor. Op de tijdbalk van veertien miljard jaar zijn het maar een paar seconden.

Wetenschappelijk gezien zouden die paar duizend jaar echter ook nog weleens een miljard jaar kunnen zijn, want aan het heelal komt wel eens een einde, maar dat kan zeker nog enkele miljoenen jaren duren. Gaat God dan toch nog eerder ingrijpen, nu niet langer meegaand in een proces van wording, maar regelrecht ingrijpend? Toch een Deus ex machina waar mensen vandaag zich niets bij kunnen voorstellen? Op deze manier gesteld vraagt het concept van Oer  minstens zulke grote offers van het verstand als een klassieke scheppingsleer.

Onuitgewerkte gedachten
Om dit te voorkomen moet je daarom volgens mij òf met een uitgewerkte visie komen, zoals procestheologen die hebben willen bieden, òf teruggaan naar Calvijn of Barth, die met een heilshistorische visie op de  wederkomst niet zoveel deden. Bij Calvijn gaat het toch in hoofdzaak om de hemelse heerlijkheid, waar Gods kinderen na een aardse tijd van lijden deel aan zullen krijgen en voor Barth gold: ‘Gott ist mein Jenseits’. Ik denk dat deze oude visies op tijd en eeuwigheid meer missionair tegoed in zich hebben dan onuitgewerkte gedachten over een onvoorstelbare apotheose na veertien en nog een aantal miljard jaar.

Dr. W. Dekker is emeritus predikant in de PKN en verbonden aan Areopagus, centrum voor contextuele en missionaire verkondiging van de IZB.