De aanraking

Bij de dood van filosoof Jean-Luc Nancy

Abstract

Filosofen hebben van oudsher een voorkeur voor het zintuig van het zien om uit te leggen wat begrijpen is en als beeld voor ons kennen van de wereld. Deze voorkeur klinkt door in het woord ‘theorie’, dat afgeleid is van het Griekse theōria dat zien, schouwen, toeschouwen of beschouwen betekent. In het Nederlands horen we deze intieme band tussen zien en begrijpen terug in het woord ‘inzien’.

De reden van deze voorkeur voor het zien wordt al door Aristoteles gegeven in de openingszinnen van zijn Metafysica: ‘Vooral dit zintuig leert ons iets kennen en laat ons allerlei verschillende eigenschappen van de dingen zien.’ De denkers die in de loop van de geschiedenis van de filosofie oog of oor krijgen voor het belang van de taal voor ons begrijpen van de wereld om ons heen, vragen aandacht voor het zintuig van het horen, bijvoorbeeld omdat we met veel dingen in de wereld vertrouwd raken doordat anderen er ons over vertellen.

Deze twee zintuigen hebben één aspect gemeen. Zowel het zien als het horen veronderstelt een bepaalde afstand tot het beschouwde of het gehoorde. Deze afstand vormt een tweede reden waarom deze zintuigen de filosofisch voorkeur genieten – en dan met name het zien. Afstand associëren we immers met de mogelijkheid van neutraliteit en objectiviteit. Alleen iemand die in staat is afstand te nemen, kan neutraal oordelen. En toeschouwers staan op voldoende afstand van bepaalde gebeurtenissen waardoor ze er zelf niet in betrokken zijn en er objectief verslag van kunnen doen. Tegelijkertijd roept dit een vraag op. Creëren de filosofen op deze wijze geen beeld van het denken waarin de wereld, evenals de dingen en de mensen in die wereld, op afstand en tegenover de denker staan? En klopt dat wel? Zijn we niet ook in ons denken en kennen met huid en haar bij de wereld, bij de dingen en bij de mensen betrokken?

Dit artikel komt een jaar na publicatie beschikbaar. Neem een abonnement als je het hele artikel nu al wil lezen.