Nietsdoen

‘I would prefer not to’

In L’effet Bartleby. Philosophes lecteurs bespreekt Gisèle Berkman waarom het meesterlijke Bartleby, the Scrivener: A Story of Wall Street bij diverse filosofen uit de twintigste en eenentwintigste eeuw tot de verbeelding spreekt.

Het verhaal van Herman Melville is eenvoudig samen te vatten. Op een dag staat Bartleby op de drempel van een notariskantoor, waar op dat moment een vacature is voor de positie van klerk. Hij krijgt deze baan aangeboden en het is zijn taak allerhande juridische documenten te kopiëren en te controleren. In de eerste dagen betoont de nieuwe klerk grote ijver en kopieert als een machine, maar dan, tot grote ontsteltenis van zijn leidinggevende, begint de machine te haperen. Met de beroemd geworden frase ‘I’d prefer not to’ weigert Bartleby uiteindelijk al zijn taken te verrichten en vervalt hij in een volstrekt nietsdoen, waardoor de anonieme notaris die het kantoor leidt geheel ontregeld wordt.

Wanneer Melville beschrijft hoe Bartleby in zijn negentiende-eeuwse cubicle stilvalt en apathisch naar een muur staart, vraagt de lezer zich af waar de gedachten van de klerk zich ophouden en in welke dromerijen hij is gevangen. Treffen we hier wellicht dezelfde excentriciteit aan als in Plato’s schildering van Socrates in het Symposium als iemand die uren onbereikbaar kon zijn voor anderen wanneer hij plotseling op een willekeurige plek stokstijf stil bleef staan en opging in zijn contemplatie? Is de klerk, zoals Enrique Vila-Matas in Bartleby & Co suggereert, een embleem voor denkers en schrijvers, zoals Wittgenstein, Rimbaud en Mallarmé, die verlamd raken door ‘de absolute dimensies’ die geëist worden door het onderwerp dat hen biologeert en die daarom stilvallen en niet langer of niet alles kunnen schrijven wat ze moeten schrijven?

Of dit zinvolle vergelijkingen zijn, is de vraag. Een klerk die slechts door anderen opgestelde teksten kopieert, lijkt immers minder geplaagd te worden door grootse denkbeelden die hij op papier wil zetten dan zijn door Vila-Matas genoemde literaire en denkende evenknieën. De betekenis van zijn nietsdoen moet wellicht eerder gezocht worden in de activiteit die hij erdoor interrumpeert. Het kopiëren van juridische teksten bestendigt en versterkt de juridische orde die op deze teksten gebouwd is en die ook alleen dankzij hun vermenigvuldiging kan functioneren. Zo bezien is de schijnbaar neutrale activiteit van het kopiëren in feite een daad van affirmatie.

Met zijn pen hield Bartleby dus de orde in stand. Het schrijven te staken blijkt daarmee de meest effectieve daad van verzet. Zoals Slavoj Žižek, een van die filosofen gegrepen door Melville’s personage, in de slotzin van zijn boek over geweld schrijft: ‘Sometimes doing nothing is the most violent thing to do.’

Blanco stembiljetten
De Sloveen spreekt in dit verband over een ‘Bartlebiaanse politiek’, die hij ook terugvindt in de roman De stad der zienden. José Saramago beschrijft daarin hoe op de dag van de verkiezingen het slechte weer de stemmers er eerst van weerhoudt om naar de stemhokjes te komen. Als het toch opklaart en er drommen mensen hun stem uitbrengen, blijkt bij de telling dat meer dan zeventig procent van stembiljetten blanco is. Door niet te kiezen, door niets te doen, ontwricht de bevolking het politieke bestel dat de orde van hun samenleving uitmaakt: om te kunnen functioneren, vereist dit bestel immers dat het gereproduceerd wordt door de mensen wanneer ze stemmen. Door in meerderheid blanco te stemmen, deactiveren ze de democratische machine, zoals de niet langer kopiërende klerk zijn werkzaamheden tot nader order opschort.

In een context van een orde die alleen kan bestaan indien zij voortdurend gereproduceerd en bevestigd wordt, blijkt nietsdoen een vorm van non-conformisme met grote consequenties: het schort deze orde op, frustreert het goede functioneren ervan en stelt het zo buiten werking. Dit effect van het nietsdoen trekt de filosofen bij uitstek aan in de enigmatische klerk.

Toch blijft deze duiding van Bartleby, the Scrivener nog wat mager. Melville schrijft immers bijzonder weinig over de klerk en diens beweegredenen. Bovendien resulteert het verhaal niet in de omverwerping van de orde van Wall Street. Melville schrijft daarentegen des te meer over de impact van Bartleby’s nietsdoen op zijn omgeving en in het bijzonder op zijn anonieme leidinggevende, die tevens de verteller van het verhaal is. Wat doet de confrontatie met zo’n passief mens, die zich onttrekt aan de orde die wij voor gewoon houden, precies met ons?Het nietsdoen getuigt van onredelijkheid en abnormaliteit

De eerste keer dat Bartleby ‘I would prefer not to’ antwoordt op een eenvoudig verzoek, kan de verteller zijn oren niet geloven. De tweede keer vraagt hij zijn klerk of hij wellicht gek geworden is. Hij is bovendien niet in staat te begrijpen hoe, gegeven zijn eigen opwinding en ergernis, Bartleby zo volstrekt gelijkmoedig kan blijven. Voor de anonieme verteller is dit een teken dat het de klerk aan elke normale menselijkheid ontbreekt. Het nietsdoen getuigt van onredelijkheid, onbegrijpelijkheid en abnormaliteit. De passieve Bartleby verbeeldt op exemplarische wijze het buiten-de-orde-staan.

Achter al deze affecten die de verteller doorstaat, gaat echter een fundamentele verwarring schuil, die Bartleby bij hem weet te wekken. De notaris begint aan zijn eigen gelijk te twijfelen. De mildheid van de klerk blijkt bovendien een van de zachte krachten te zijn die de verteller het vermogen ontnemen hem te weerstaan of weg te sturen. De hopeloosheid die zijn klerk uitstraalt wekt zelfs allerlei gevoelens van medelijden en menslievendheid bij hem op. Melancholisch overweegt hij hoe een gemeenschappelijk mens-zijn hem en Bartleby verbinden.

Vergezicht
Medelijden en menslievendheid blijken echter niet onvoorwaardelijk, zoals blijkt uit misschien wel de mooiste zin uit het verhaal: ‘So true it is, and so terrible too, that up to a certain point the thought or sight of misery enlists our best affections; but, in certain special cases, beyond that point it does not.’ Tot op zekere hoogte ontneemt Bartleby de verteller elk vermogen tot machtsuitoefening, doet hij hem twijfelen aan zijn eigen gelijk en appelleert hij aan het betere in hem. Tot op zekere hoogte.

De ervaring die Melville hier vertolkt, resoneert op elk punt met wat Martinus Nijhoff schrijft in een gedicht over zijn ‘heilige naamgenoot’. Gezeten op een paard, geconfronteerd met een ‘naaste in nood’, grijpt Sint Maarten zijn zwaard: ‘Toen gij uw zwaard greep, hebt gij willen slaan / naar ’t creatuur dat zat te beven.’ En Nijhoff vervolgt:

Maar toen uit deernis, uit geërgerdheid,
Want zoo ontwaakt ons hart, hebt ge inhouden;
Toen, met een drift die eerst zichzelf kastijdt,
Uw kleed gedeeld; toen half behouden.

De strijd in het innerlijk van de heilige Martinus, is dezelfde als die zich in het gemoedsleven van Melvilles anonieme verteller afspeelt wanneer hij met de nulliteit van de klerk Bartleby wordt geconfronteerd. Ergernis en opwinding gaan weliswaar over in melancholiek medelijden en vlagen van menslievendheid, maar de laatste blijken begrensd en de mens geeft zichzelf maar half.

Met Bartleby loopt het, hoe kan het ook anders, niet goed af. De epiloog, waarin de verteller een gerucht over de voorgeschiedenis van de klerk met de lezer deelt, suggereert dat de weigering van de klerk om nog langer mee te doen in de wereld van de mensen voortkomt uit een diepe teleurstelling over goede bedoelingen die niet gerealiseerd worden en de nood van hulpbehoevenden niet lenigen. De goede intenties van de verteller vormen geen uitzondering op deze ervaring.

Nijhoffs gedicht besluit anders dan Melvilles verhaal. De melancholie gewekt door de uitkomst van het spel der innerlijke affecten wanneer de mens met iets van buiten de orde wordt geconfronteerd, wordt bij Nijhoff allesbehalve verzwegen, maar hij laat er een vergezicht doorheen spelen:

Zoo denk ik, staande voor een afgrond: Nooit,
Nooit durf ik dieper dan mijn hoofd buigt blikken:
Ginds wordt elke aanvang onverdeeld voltooid,
Hier blijven half alle oogenblikken.

Prof. dr. G.J. van der Heiden is hoogleraar metafysica aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Begin 2021 publiceerde hij Metafysica. Van orde naar ontvankelijkheid.