Protestanten en het goede leven

Pieter Vos over deugdethiek

Abstract

In de bevindelijk-gereformeerde kerk waarin ik opgroeide zongen we over de goddelijke deugd der milde goedheid, maar menselijke deugd had met name de bijsmaak van brave hendrik, verdienste en werkheiligheid. De dominee verkondigde dat God zondaren rechtvaardigt. Het cultiveren van de deugden kwam niet aan bod. We werden aangemoedigd met Kohlbrugge onze heiligingskrukken weg te werpen, want ‘je kwam er de berg Sion niet mee op’.

Deugdethiek en protestantisme, het lijkt geen goede combinatie. In Longing for the Good Life: Virtue Ethics after Protestantism geeft Pieter Vos krachtig tegengeluid tegen deze stelling. Hij laat zien dat de deugden een belangrijke plaats kregen in het protestantisme van de zestiende tot en met achttiende eeuw, en dat het protestantisme belangrijke bouwstenen biedt voor een hedendaagse deugdethiek.

Om Vos’ Virtue Ethics after Protestantism goed te begrijpen moeten we beginnen met het werk waar de ondertitel naar verwijst: Alisdair MacIntyre’s After Virtue (1981). MacIntyre, een van de meest prominente ethici van de afgelopen vijftig jaar, stelt in After Virtue dat de teleologische ethiek van de Griekse oudheid, patristiek en Middeleeuwen drie kernelementen bevat: (1) De mens zoals hij is, (2) dient getransformeerd te worden door voorschriften, geboden en deugden (3) om de mens te worden die hij zou kunnen zijn als hij zijn doel (telos) verwezenlijkt. Ondanks alle verschillen tussen de stoïcijnen en Augustinus, tussen Aristoteles en de Middeleeuwen, bleef dit teleologische schema staan, aldus MacIntyre. Pas tijdens de Reformatie vond een grote omslag plaats en bleven alleen de eerste twee punten overeind: de mens zoals hij is, is een gevallen mens. In zijn gevallen staat wordt de mens geconfronteerd met de geboden van God, maar hij kan die niet houden. Doeloorzaken raakten buiten beeld.

Vos deconstrueert MacIntyre’s verhaal met behulp van Calvijn, de gereformeerde orthodoxie en Kierkegaard, en laat overtuigend zien dat er veel meer continuïteit was tussen de ethiek van de Middeleeuwen en de Reformatie dan MacIntyre ons doet geloven. Vos behandelt bijvoorbeeld Institutie 3.6.1 waarin Calvijn aangeeft dat hij, in navolging van de kerkvaders, zijn verhandeling van het christelijke leven had kunnen inzetten met de deugden. Omdat Calvijn naar eigen zeggen beknoptheid prefereert, geeft hij alleen een universele richtlijn die onze plichten duidelijk maakt. Die regel is dat we God toebehoren en daarom onszelf moeten verloochenen. Dat Calvijn niet ‘tegen’ deugden was, maar simpelweg beknopt wilde schrijven blijkt ook wel uit zijn verwijzing naar de homilieën van de kerkvaders voor de lezer die meer wil leren over deugden.

Ten tijde van de gereformeerde orthodoxie was Aristoteles’ Ethica Nicomachea het standaardtekstboek voor het leren en doceren van ethiek op de protestantse universiteiten. Maar liefst 46 commentaren op de Ethica Nicomachea werden gepubliceerd tussen 1529-1682. Bepaald geen teken van verval van deugdethiek. Vos vindt zelfs in Kierkegaard sporen van deugdethiek. Wanneer Kierkegaard spreekt over karakter en innerlijkheid heeft hij het volgens Vos feitelijk over deugden, ook al noemt Kierkegaard ze zo niet.

Dit artikel komt een jaar na publicatie beschikbaar. Neem een abonnement als je het hele artikel nu al wil lezen.