‘De grote mystici hebben iets speels, daardoor kunnen ze bergen verzetten’

Wat is mystiek? Jean-Jacques Suurmond, bekend van zijn jarenlange column in Trouw, hield zich er gedurende zijn leven in toenemende mate mee bezig. Wapenveld spreekt hem over zijn leven en werk.

In coronatijd had Jean-Jacques Suurmond (1950) eindelijk tijd en rust om de klassieker van Evelyn Underhill (1875-1941) te vertalen. Twintig jaar eerder had hij al een kleiner boekje van haar vertaald, Praktische mystiek voor nuchtere mensen. Maar nu dus het grote werk Mystiek – Hoe God werkt in de mens uit 1911. In de Angelsaksische wereld een bekend en invloedrijk boek: T.S. Eliot en C.S. Lewis werden sterk door haar geïnspireerd. In Nederland was zij echter zo goed als onbekend.

Suurmond ontdekte het werk van Underhill toen hij samen met zijn vrouw Marianne Vonkeman als pastor werkte in een grote pinksterkerk in Californië en tegelijkertijd studeerde aan het oecumenisch-evangelicale Fuller Seminary. Daar waren studenten actief met het werk van Evelyn Underhill bezig.[1] Suurmond pikte dat op en ging zich later in haar verdiepen.

Tradities mengen
Jean-Jacques Suurmond heeft een levensloop als weinig anderen. In een niet-gelovig gezin opgegroeid, komt hij op zijn twintigste tot geloof in een pinkstergemeente. Later wordt hij lid en voorganger van de toenmalige Nederlandse Hervormde Kerk, en ook nu nog gaat hij voor in diensten van de Protestantse Kerk. Zelf bezoekt hij tegenwoordig oudkatholieke vieringen. Het gaat hem om de godservaring, om het ontdekken van het echte leven dat vol van God is. Theologie mag er ook zijn, als het maar bescheiden blijft. Underhills klassieker gunt hij een plek in elke theologische opleiding. ‘De ontwikkeling van een eigen spiritueel leven is wezenlijk om mensen geestelijk te kunnen begeleiden. Dan moet je weet hebben van de onderscheiden dimensies en fasen in het geestelijk leven en daar kan Underhills werk bij helpen.’ Suurmond is niet alleen predikant, maar heeft ook een praktijk voor coaching en supervisie:[2] mystiek is niet vaag en esoterisch, maar gaat over het volle leven, vanbuiten en vanbinnen. Wapenveld zocht hem op. Er ontspon zich een boeiend gesprek waarbij de pinkster-, charismatische, liturgische en bevindelijke tradities zich met elkaar mengden.

Suurmond groeide op in Zeeland. Zijn vader kwam uit een streng-gereformeerd gezin, verliet dit milieu en koos voor de grote vaart. Op de kermis in Bordeaux leerde hij zijn vrouw kennen. Terug in Zeeland vestigden ze zich in Vlissingen. Vader Suurmond werd machinist op de pont naar Breskens. Jean-Jacques kon in zijn jonge jaren zijn draai in het leven niet vinden, werd van diverse scholen gestuurd, had wat baantjes, maar liep toch vooral met zijn ziel onder de arm en was naar eigen zeggen wanhopig op zoek naar richting in zijn leven. Die vindt hij als hij door een vriend in aanraking komt met de pinksterbeweging. Hij wordt getroffen door de warmte, geeft zijn hart aan de Heer, en gaat werken onder dak- en thuislozen. Zijn vader is niet direct overtuigd, hij moet nog zien of ‘deze gril’ zal standhouden. In zijn laatste boek – Godzijn – Een oefening in bescheidenheid – verweeft Suurmond zijn levensverhaal met een uitleg van de geloofsbelijdenis van Nicea. Hij doet dat op de toon van Augustinus’ Confessiones: door het hele boek heen spreekt hij God aan.

Noord-Hollywood
Op zijn vierentwintigste gaat Suurmond naar een pinksterbijbelschool in Scheveningen. ‘Op tweehonderd meter van het naakstrand,’ zegt hij glimlachend. Het zijn de wilde jaren ’70. Als hij samen met medestudent Marianne een presentatie over een stoffig archeologisch onderwerp moet houden, levert dat toch maar mooi een relatie op. In hun vierde studiejaar bezoeken ze de internationale pinksterbijbelschool in Brussel. Daar ontmoeten zij een inspirerende Amerikaanse docent die de weg baant naar Noord-Hollywood. Jean-Jacques en Marianne worden actief in een grote pinsterkerk met een staf van acht personen. Een van de ouderlingen woont in Beverley Hill naast Michael Jackson. Suurmond wordt de vaste pastor voor de miracle prayer op maandagavond. Hij geeft ook catechese. Ondertussen begint hij zijn studie aan Fuller Seminary.

Na verloop van tijd gaat de pinksteraanpak knagen. De senior-pastor blijkt voorspelbaar te preken, hij heeft geen theologische opleiding. Wanneer hij met pensioen gaat blijkt alles om hem gedraaid te hebben en ontstaat er een turbulente periode. ‘Marianne en ik werden ontslagen en zijn verhuisd naar Fuller, waar we beiden werk vonden. Ik gaf bijvoorbeeld theologisch Duits en Frans, maar inde ook de huur bij studenten en was hovenier. Ondertussen begon ik aan het schrijven van mijn proefschrift over ethiek en de Heilige Geest, een bijbeltheologisch betoog in evangelicale stijl. Nog niet echt creatief, zo vond ook mijn co-promotor Berkhof. Maar het werken eraan vond ik prachtig, het gaf me veel voldoening. Eindelijk had ik een bedding gevonden en ontwikkelde ik mijn eigen stem.’

Liturgische beweging
‘In 1983 kwamen we weer terug in Nederland, we verkochten onze Amerikaanse auto om de tickets te kunnen betalen. Jarenlang kon ik geen baan vinden. Er heerste veel werkloosheid in de jaren ’80. In Utrecht werden we actief in de charismatische beweging, en ontwikkelden we tal van activiteiten. Het sloeg aan. Ik raakte ook betrokken bij de Charismatische Werkgemeenschap Nederland (CWN), dat binnenkort vijftig jaar bestaat. Daardoor raakte ik als pinksterman betrokken bij de kerk en ontdekte ik ook de kracht van de liturgische beweging. En met wat hulp van onder anderen ds. Barend Wallet werden we bijgespijkerd in de hervormde theologie. In 1988 werden we beroepbaar en predikant. Marianne in Angeren, ik in Gendt, in de Over-Betuwe. Dat was een geheel nieuwe ervaring. De kerk was echt onderdeel van de gemeenschap. Samen met de burgemeester opende ik de kermis. En toen ik een plan ontvouwde in de kerkenraad zei een diaken, een vrouw, gewoon: “Daar ben ik het niet mee eens.” Dat was ik niet gewend in de pinksterbeweging.’Jezus heeft iets van een cabaretier 

‘In Gendt schreef ik Het spel van Woord en Geest – aanzet tot een charismatische theologie. Dat was op de drempel van een volgende fase in mijn trektocht, terugkijkend, het waardevolle noterend, maar ook met oog voor de tekorten. De titel is voor mij fundamenteel. We kunnen niet zonder het Woord. Maar de Geest zorgt ervoor dat het Woord niet stolt, want dan krijg je vaste structuren en gewoontes en voordat je het weet worden mensen uitgesloten. Het Woord kan niet zonder de Geest. En de Geest niet zonder het Woord. Het gaat om de onderlinge dynamiek, die ook het karakter van spel heeft. Niet voor niets benut ik het denken van Johan Huizinga over de homo ludens [3] in dit boek. Dat is toch het ultieme doel van de schepping, dat we zijn “als spelende voor het aangezicht Gods”. De genade is geestig, Jezus zet ons in zijn parabels voortdurend op het verkeerde been. Is de doerak de verloren zoon? Nee, dat is de brave-hendrik-zoon.  Net zo bij de verdorven tollenaar en de vrome farizeeër. Jezus heeft iets van een cabaretier.’

Hervormd-katholiek
‘Eind jaren ’80 vertrokken we naar Vlaardingen. Daar volgden we een van de voortrekkers van CWN op, ds. Wim Verhoef. Zijn gemeente was een bewust liturgische gemeente geworden en in dat spoor zijn wij verder gegaan. Bij oecumenische vieringen ervoeren rooms-katholieken weinig verschil met de mis. We waren ‘hervormd-katholiek’. De overgang van Pinksteren naar de liturgie is niet zo gek. In pinksterkerken is veel eigen initiatief, veel beweging, de hele gemeente doet mee. Dat is in een liturgische setting ook zo, veel staan, zitten, knielen. Iets geordender wellicht! Pinksteren en meer liturgisch is het verschil tussen disco en stijldansen.

In deze periode begon ik me ook meer en meer in de mystieke traditie te verdiepen, met dank aan onder andere het Titus Brandsma Instituut. Ook dat is niet zo gek. In de pinksterbeweging staat de godservaring centraal. Daar draait het om. Maar daar draait het niet minder om in de mystieke traditie. Paulus is een groot mysticus als je hem leest met de ogen van de mystieke traditie. Hij spreekt bijvoorbeeld over zichzelf in de derde persoon als iemand die dingen gezien heeft en woorden gehoord waar hij niet over kan vertellen. Wat hij over de liefde zegt is magistraal. Zijn spreken over de kerk als lichaam van Christus – dan gebruikt hij een mystiek beeld. Het verlangen naar eenworden is typerend. Paulus richt zich op het universele, over grenzen heen, dat is kenmerkend voor grote mystici. Zijn spreken over vrouwen is vaak misverstaan. De grote tekst is te vinden in zijn Galatenbrief: in Christus is noch man noch vrouw. De christuservaring is voor allen. Julia noemt hij een apostel. Het evangelie is universeel of het is niet.’ 

U hebt hedendaagse mystici ingevoegd in het overzicht achter in de vertaling van Mystiek en een heel mooie reeks hedendaagse, vooral Nederlandstalige dichters, in de noten en nu en dan midden in de lopende tekst. Zijn die citaten er ter plekke bij gezocht of putte u wellicht uit een verzameling?
‘Ik wilde de vertaling dicht bij de lezer brengen, dat is toch een beetje de dominee in mij. Ik ben uitgegaan van de editie uit 1930, die Evelyn Underhill zelf nog heeft gecorrigeerd. Zij citeert veel grote namen uit de mystieke traditie, maar ik wilde niet dat het een antiekwinkel werd. Vandaar dat ik meer hedendaagse namen heb toegevoegd, zowel in de noten als in de hoofdtekst. Bijvoorbeeld Etty Hillesum, Thomas Merton, Dag Hammarskjöld, Vasalis. Ze verwoorden dezelfde noties als hun voorgangers. Wijsheid veroudert niet, kennis wel. Daarom lezen we nog steeds de Bijbel. Mystiek is in feite levenswijsheid. In de tweede druk zijn mijn voorbeelden in de hoofdtekst naar de noten gegaan zodat de hoofdtekst weer helemaal van Underhill is. Dat is toch zuiverder.

Mystici zijn bijna altijd poëten. Uitdrukken wat je beleeft met God kun je niet met huis-, tuin- en keukentaal of in de taal van de krant. Dat kan alleen indirect, via de omweg van de poëzie. Je kunt het oproepen, en poëzie is evocerend.

Mystiek is ook lichamelijk. Maar als het lichaam erbij komt schrikken veel theologen en geestelijken. Dat geldt ook voor de liturgie die het lichaam mobiliseert, dat is een stroom, daar moet je je in begeven, je aan overgeven. Dan moet je niet teveel regieaanwijzingen geven. Bij een Bachconcert zeg je ook niet: kijk, dat is een cello. Mond houden, gewoon met de stroom mee. Volgens Joop Boendermaker gaat het om een hoge liturgie in een laagkerkelijke context, dan doet iedereen mee.’

Evelyn Underhill spreekt enthousiast over de echte wereld in tegenstelling tot de zichtbare wereld. Dat klinkt platoons en antithetisch. Hoe kijkt u daar tegenaan?
‘Dat is een wijdverbreid misverstand. Het is niet platoons of antithetisch. De mystiek ziet dat anders. Doordat ons ik, ons overlevingsinstinct zo beperkt is, verkleinen we onze wereld. We nemen heel selectief de werkelijkheid waar, meestal vanuit een nutsperspectief: wat heb ik eraan? Van dat beperkte zicht moeten we bevrijd worden.

De mystici zeggen: de Werkelijkheid is in de werkelijkheid die wij waarnemen, God is in de werkelijkheid. Ze worden bijvoorbeeld getroffen door een herfstige boom. Niets kan bestaan zonder God. God is in alles, dat kun je gaan zien. Dan zie je ook de Werkelijkheid, de echte werkelijkheid. De grote mystici zijn geen dromers, ze zijn heel realistisch, maar niet naturalistisch. De spirituele Werkelijkheid is een uitnodiging om realistischer in de werkelijkheid te leven. Maar de populaire cultuur maakt van mystiek lezen een romantische schemerlamp, het tegenovergestelde.’ 

De eerste fase van de mystiek is volgens Underhill: ontwaken. Kunt u iets over uw eigen ontwaken vertellen?
‘Ik was kennelijk geschrokken van mijn ontmoeting met de pinksterbeweging in Vlissingen, ik liep vervolgens ‘weg’ naar Amsterdam. Later las ik dat dat in de vroege kerk van bisschoppen werd verwacht dat ze eerst een andere richting uitgingen. Daar in Amsterdam gaf ik toch nog mijn hart aan de Heer, ik knielde voor het eerst van mijn leven. Daarna keerde ik terug naar Vlissingen en ging met thuislozen en kwijlende zwervers werken, hun bed verschonen. Dat was wel het allerlaatste waar ik ooit aan gedacht had. Maar het was liefde wat mij dreef, de liefde die mij had opgezocht wilde ik delen. Ik heb heel lang kritisch gekeken naar mijn Amsterdamse godservaring: was het wel echt? Of alleen iets volgens het pinksterboekje? Ik voelde niet zoveel… Wel wist ik heel zeker dat ik de thuislozenzorg in moest. Daar had ik volkomen rust over.’

De loutering is stadium twee. Die vertoont enige overeenkomsten met de donkere nacht van de ziel (of de mystieke dood) van fase vier. Is het verschil gradueel of essentieel?
‘Laat het duidelijk zijn, het onderscheid in fasen is er voor de helderheid, maar het ligt natuurlijk verstrengeld. Net als bij de Drie-eenheid van Vader, Zoon en Geest. Anderzijds is loutering is zeker niet hetzelfde als de nacht van de ziel. In de loutering wordt het onvolmaakte van ons weggenomen, schrijft Underhill. In de donkere nacht van de ziel, zoals Johannes van het Kruis het noemt, wordt zelfs het volmaakte van ons weggenomen (God). Dat is een groot verschil.

De loutering is gymnastiek voor de ziel. Dan raak je van de drank of sla je je vrouw niet meer, heel concrete dingen. Loutering klinkt als afzien en dat is het ook. Met zondag 10 van de Heidelbergse Catechismus kun je zeggen dat alles wat je meemaakt je tot loutering kan worden. Daar moet je niet mechanisch over denken, alsof God op een knopje drukt en je dan kanker krijgt. God organiseert het niet. Gods schepping is zodanig dat het kennelijk gebeurt. De schepping is in wording, het koninkrijk komt. Alle dingen, zelfs verveling, kunnen meewerken ten goede. God is erin. Als je dat gaat zien draagt het bij aan je eigen loutering, zuivering, verzoening.

Niets is buiten God. Dat heb ik zelf vaak genoeg meegemaakt. Ik was  zo’n jongen die alleen maar leerde door z’n hoofd te stoten…’

Fase drie is de verlichting, de ‘gelukkige overgave aan een overweldigend besef van de aanwezigheid van God’, ook in de gewone, zintuiglijke wereld, waardoor iemand opeens veel meer energie heeft. Uw boek God zijn getuigt daar op elke bladzijde van. Onze vraag: op welke manier precies maakt dit zo gelukkig? Waar merkt u dat aan bij uzelf, hoe herkent u het bij anderen?
‘Vaak heb je die energie tijdens de loutering al, soms al bij het ontwaken – er gaat me een licht op. We zien de Werkelijkheid oplichten in onze alledaagse werkelijkheid. Hier ligt de  oorsprong van alle creativiteit, het aha-Erlebnis waar dichters en wetenschappers vaak van spreken.

Als mijn ik in het centrum zit dan draait alles om overleving, maar dat wordt anders wanneer God in mij woont. Dan verdwijnt dat egocentrische ik en word ik liefdevol. Liefde wil geven. Dan vergeet ik mijzelf, dan val ikzelf ertussenuit. Dat is ook wat wij flow noemen.

De ervaring is oorspronkelijk en authentiek, maar onze interpretaties en theorieën sturen mensen de andere kant op, de ikkige kant. Dan krijg je voor je het weet boekjes met zeven stappen naar vervulling met de Heilige Geest. Ik deelde die uit op de Wallen, in het kader van een evangelisatieproject. Maar dat zijn schema’s, dan wordt de ervaring ingekaderd en verdwijnt al gauw de relativering. Als je maar goed genoeg gelooft, word je genezen.  En zo niet, dan is er wat mis met je geloof. Zo klinken de vrienden van Job. Ik zie dit als pogingen om houvast te krijgen op het raadsel van wat God eigenlijk aan het doen is.

Ik denk dat het er altijd al is, God. Het vonkje van de ziel, zegt Underhill. Hij is het onverklaarbare hart van de wereld. Zonder God binnenin ons zouden we er niet eens zijn. Dat besef geeft een innerlijke metapositie: eigenlijk blijf je innerlijk vrij. Die vonk van God in je is ten diepste goed, God is het hart van de wereld.

Mystiek is een diep weten. Dat kan zijn: all is well. Toen ik kanker kreeg overkwam het me. Het overleven was volstrekt onzeker, maar het gekke was dat ik de nacht voor de operatie sliep als een roos. Ik vond het wel moeilijk dat ik misschien afscheid moest nemen van mijn geliefden.’Mystiek is de voedende ader van de kerk

‘Theologie is heel belangrijk, maar moet tegelijk nederig blijven. Dat kan als ze vanuit de ervaring vervolgens ook probeert concreet te worden. Welke hints geeft de ervaring? Dan zie je dat mystici vaak een heel concrete roeping gaan volgen. Desmond Tutu die zich gaat verzetten tegen de apartheid, Franciscus die de liefde van God gaat bezingen buiten de gebaande paden, Dag Hammerskjöld die zich inzet voor de vrede.  Daarom is prediking niet primair uitleggend, dat ook natuurlijk, maar vooral evocerend. Laat de concrete ervaring meetrillen. Mystiek is de voedende ader van de kerk.

Hoe meer Christus zich in ons kan manifesteren, hoe beter we met verschillen kunnen omgaan, ook met andere godsdiensten. Denk aan Jezus en de Samaritanen: dat waren helemaal geen gelovigen volgens de Joden! Het universele is kenmerkend voor alle mystici.’

De donkere nacht van de ziel komt in het boek God zijn terug bij het puzzelen op de zelfgekozen dood van de mystiek dichtende Joost Zwagerman. Aan het slot schrijft u daarover, en u maakt dan ook een verbinding naar de gebeurtenis in uw jeugd waarbij u probeerde een overdosis aspirine te nemen. Met schroom: hoe verhouden zich hier wanhoop en verlangen?
‘Het nemen van teveel aspirines door mij was geen donkere nacht, eerder de voorfase van het geestelijk ontwaken. Dan is er vaak sprake van spirituele duisternis. Je vindt geen reden om te leven. Dan hang je tegen het ontwaken aan. Franciscus bijvoorbeeld verliet in zijn jonge jaren vaak even een feestje waar hij aan meedeed, dan vlamde het vonkje van de ziel in hem op. Kort daarna sprak Christus tot hem. Jammer is wel dat spirituele duisternis niet wordt herkend in de GGZ en dat er dan medicatie wordt voorgeschreven, zonder iets van geestelijke begeleiding. Er is iemand nodig die je vertelt wat er gebeurt. Willem James noemt deze vroege gestalte de sick soul. Maar was het bij Zwagerman misschien de wanhoop van de donkere nacht, vraag ik me dan af.

Als Tomas Halík zegt dat het de belangrijkste taak van het christendom wordt om geestelijke begeleiding te geven op de levensweg van mensen, dan deel ik dat.  Veel mensen zijn verdwaald, zij ontberen de taal voor het geestelijke leven. Mijn leven is mislukt, denken mensen dan. Maar dat kan niet, je bent  schepsel. Als je in een felle koplamp kijkt, zie je ook niets. Zo is het met God en zijn Werkelijkheid, we zijn er niet op afgestemd. Maar terwijl God heel ver weg lijkt, of zelfs niet bestaat voor ons gevoel, is hij dichterbij dan ooit. In de donkere nacht van de ziel wordt ons ik gesaboteerd. Dan kan je niks meer. De ‘weg’ is dat het ik zich overgeeft, dat het ikkige in al je mooie prestaties er tussenuit valt. Ik kan God niet aan.

Paus Johannes Paulus II sprak ook over de donkere nacht in verband met onze cultuur. Hij bedoelde ermee dat we niet op Gods werkelijkheid zijn afgestemd, we zitten teveel vast aan de materiële kant van ons geloof. We zijn met andere dingen bezig dan met God. Je kunt je heel erg vastklemmen aan structuren en gewoonten die bezig zijn af te sterven. Verstandiger lijkt me om alert te zijn op wat God aan het doen is. Voor mij betekent dat gewoon de tekst van de zondag blijven verkondigen. De bijbelverhalen zijn prachtig. En Gods liefde is overweldigend. All is well, ten diepste. We moeten onszelf niet te serieus nemen, ook niet in een afstervende kerk. God heeft iets met sterven en opstaan.’

De laatste en ultieme fase is de eenwording, door Evelyn Underhill scherp onderscheiden van de verlichting. Waarom is het voor Underhill belangrijk?
‘In de verlichting, fase drie, beleef je God in alles, met nieuwe ogen, je bent creatief. Maar God is nog dáár, er is nog een relatie tussen mij en God. In de eenwording na de nacht van de ziel houdt de overgave van ons ik in. Niet meer ik, maar Christus leeft in mij. Dan ‘word’ je God, zoals de oude mystici zeggen, dan kan God je geheel vervullen. Ik word dan vrij van het ik, van getob en gepieker. De grote mystici hebben iets speels en kinderlijks. Daardoor kunnen ze zoveel doen, ze kunnen bergen verzetten. Ze zijn vrij, ze hoeven niet meer ikkig bezig te zijn. In de eenwording krijg je ook het universele in het vizier. Grote mystici doorbreken alle bubbels.  De vlam van de ziel doorgloeit je, ook je hoofd. Jezus is het beeld van de eenwording met God, waarbij hij als het ware zegt: hier ben ik met jullie opuit, mensen. Die eenwording wist het onderscheid tussen God en mens overigens niet uit. Het ijzer wordt doorgloeid door vuur, maar het ijzer blijft ijzer, en vuur blijft vuur. God blijft God, en de mens mens.

Het ultieme doel van de schepping is deze eenwording, daar loopt de spirituele weg op uit. Dan neemt Hij gestalte in ons aan. Vandaar dat de grote mystici zo’n licht zijn in hun tijd.

Drs. G. van de Haar (1965) is redacteur in de theologische uitgeverij en werkt aan een onderzoek naar de affectieve plot van romans van Marcel Möring. Mr. H. Oevermans (1965) is redacteur van Wapenveld en aan de Christelijke Hogeschool Ede directeur van de opleidingen Theologie en Leraar Godsdienst en levensbeschouwing en van het Jan Luyken Instituut – Centrum voor Bezieling en Professionaliteit.

N.a.v. Evelyn Underhill, Mystiek, hoe God werkt in de mens. Vertaling: Jean-Jacques Suurmond. Uitgave Skandalon 2023 (tweede druk), 508 pp.

  1. https://fullerstudio.fuller.edu/life-as-prayer-the-development-of-evelyn-underhills-spirituality/
  2. https://www.jean-jacquessuurmond.nl/
  3. Recent opnieuw uitgegeven: Johan Huizinga, Homo ludens, herzien en van toelichtingen en illustraties voorzien door Anton van der Lem, Uitgeverij Querido Facto 2024.