Herdershond in de kudde

De journalist als bewaker van de hygiëne in het publieke debat

Draait journalistiek om waarheidsvinding? Dat is wel wat journalisten vaak antwoorden als je ze vraagt wat de kern van hun vak is. Opmerkelijk is het wel als je bedenkt dat wetenschappers dat niet zo snel zouden zeggen. Waarheid is meer dan een exacte beschrijving van een bepaalde stand van zaken, betoogt Jan van der Stoep, waarheid moet geleefd worden. In een gepolariseerd debat heeft de journalist de primaire en urgente taak de hygiëne te bewaren. Maar de rol van de journalist moet ook niet overschat worden.

Laatst schreef een journalist mij dat het hem was opgevallen dat wetenschappers nauwelijks over waarheid of waarheidsvinding spreken, terwijl dat in zijn eigen vak wel heel gebruikelijk is. Dat is een interessante observatie. Net als in de journalistiek draait het in de wetenschap om kennis. En in beide vakken staan ook waarden als objectiviteit, onafhankelijkheid en belangeloosheid centraal. Toch zullen wetenschappers niet zo snel hun eigen metier omschrijven in termen van waarheid, iets wat ik journalisten wel vaak heb horen doen.

In dit artikel ga ik op zoek naar de kerntaak van de journalist. Waartoe is journalistiek op aarde? En waarin verschilt dit vak van andere beroepen? Is ‘waarheidsvinding’ een term die de lading dekt als het over journalistiek gaat? Allereerst zal ik betogen dat waarheidsvinding als oriëntatiepunt van de journalistiek een risico met zich meebrengt. Als gedacht wordt dat journalisten vanuit een objectieve en onafhankelijke positie de waarheid boven tafel moeten krijgen, dan overvraag je het beroep. Vervolgens zal ik betogen dat er, ondanks dat, voldoende reden is om wel in termen van waarheid te blijven spreken. Meer dan in de wetenschap, nemen journalisten een positie in binnen het publieke debat. Dat stelt soms hoge eisen aan het vak, en kan journalisten ook kwetsbaar maken.

Eerst nog een opmerking over journalistiek als zodanig. Journalistiek bestaat er in vele soorten en maten. Het beroep van journalist is niet beschermd, al bestaan er wel beroepscodes zoals bijvoorbeeld de Global Charter of Ethics for Journalists. Ook is journalistiek een vak dat voor inkomsten afhankelijk is van abonnementsgelden, fondsen en reclame-uitingen. Dat zorgt ervoor dat de autonomie waar journalisten naar streven altijd een betwiste autonomie is. Er zijn harde vormen van journalistiek, bijvoorbeeld als het gaat om politieke verslaggeving of oorlogsverslaggeving, maar er is ook journalistiek die meer gericht is op human interest, sport, kunst en andere zaken. Echter, voor iedere vorm van journalistiek geldt dat aan normen als objectiviteit, betrouwbaarheid en redelijkheid moet worden voldaan.

Waakhond van de democratie
Dikwijls wordt journalistiek de waakhoud van de democratie genoemd. Journalisten moeten misstanden aan de orde stellen en de onderste steen boven halen. Dat kan inderdaad een belangrijk functie zijn van de journalistiek. Denk bijvoorbeeld aan Carl Bernstein en Bob Woodward van de Washington Post, die publiceerden over spionageactiviteiten van Republikeinen bij het hoofdkantoor van de Democratische Partij. Dat leidde tot het Watergateschandaal en daarmee tot het aftreden van president Richard Nixon in 1974. Journalisten moeten de waarheid achterhalen, ook als die niet welkom is. Een dergelijke houding vraagt om moed en standvastigheid. Journalisten zijn, zo wordt aanvullend daarop vaak gezegd, niet verantwoordelijk voor het effect dat hun berichtgeving heeft en moeten daar ook niet te veel op sturen. Het gaat hen om de feiten en niets dan de feiten.

Wat Bernstein en Woodward deden behoort volop tot de taak van de journalistiek. Echter, als we hun werk richtinggevend maken voor hoe journalistiek eruit zou moeten zien, kan er gemakkelijk een verkeerde beeldvorming ontstaan. Ten eerste opereerden beide journalisten niet in isolement. Ze waren in dienst van een gezaghebbende krant en werden op de hoogte gesteld door een belangrijke informant die Deep Throat werd genoemd. Ze konden handelen zoals ze handelden vanwege de plek die ze innamen en de positie die hen gegund werd. Ten tweede kunnen er vragen worden gesteld bij de aanname dat journalisten geen rekening zouden moeten houden met de gevolgen van hun werk, bijvoorbeeld als het om staatsgeheimen gaat. Uiteindelijk moet het algemene belang bovenaan staan, en kunnen journalisten zich niet louter presenteren als objectieve waarnemers. Journalisten hebben een publieke verantwoordelijkheid.Meningsvorming is een verantwoordelijkheid van de burger zelf

Hoe moeten we de taak van de journalistiek dan opvatten? Michael Schudson spreekt over journalisten als reluctant stewards.[1] Dat is een interessante gedacht. Als je ‘steward’ letterlijk in het Nederlands vertaalt krijg je ‘rentmeester’, maar dat heeft in dit verband een wat andere connotatie. Een ‘steward’ heeft een dienende functie die te maken heeft met organisatie en beheer. Denk bijvoorbeeld aan de steward in een voetvalstadion en aan stewards en stewardessen in een vliegtuig. Journalisten, zo zou je kunnen zeggen, zijn hoeders van het publieke debat. Ze moeten curerend en corrigerend optreden en verkeerde voorstellingen van zaken aan de kaak stellen. Ze zijn er om de hygiëne van het publieke debat te bewaren.[2] Echter, ze moeten die taak met een grote terughoudendheid vervullen. Het zijn reluctant stewards. Het proces van publieke meningsvorming is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van burgers zelf. Journalisten moeten vooral gericht zijn op het scheppen van de juiste voorwaarden om het publieke debat op een goed geïnformeerde en eerlijke manier te voeren. Dat kan niet zonder zelf ook positie in te nemen en bijvoorbeeld in te grijpen als reputaties van mensen onnodig geschaad worden, of als er meningen worden geuit die de waarheid niet dienen.

Herdershond van de kudde
De wending die ik hier maak is dat ik journalisten niet langer beschouw als objectieve waarnemers, maar als participanten. Journalisten maken onderdeel uit van een gemeenschap, maar hebben binnen deze gemeenschap wel een bijzondere taak. Soms is de gemeenschap waar journalisten voor schrijven een specifieke groep binnen de samenleving (NRC, Telegraaf, Trouw en De Volkskrant richten zich elk op een ander publiek), soms beogen ze meer de samenleving als geheel (denk aan de NOS, hoewel die door sommigen als spreekbuis van ‘de linkse elite’ wordt gezien). Nu door sociale media gemakkelijk bubbels kunnen ontstaan, en complottheorieën zich snel kunnen verspreiden, is het zaak om te beseffen dat je als journalist niet zelf de regie in handen hebt. Je bent echter wel geroepen om zo goed of zo kwaad als het gaat een open en eerlijk gesprek te faciliteren. De metafoor van een herdershond past daarom beter bij journalistiek dan die van de waakhond. Een herdershond maakt onderdeel uit van de kudde, loopt met de schapen mee, en treedt corrigerend en beschermend op als dat nodig is. Hij dient het belang van de herder en daarmee van de kudde als geheel, of die kudde nu een bepaald volksdeel is of de samenleving als geheel.Profeten in het Oude Testament spraken geloofsgenoten aan op hun missie

Vaak wordt over nieuws gedacht in termen van informatieoverdracht. Journalisten leveren kennis aan op basis waarvan burgers zich een oordeel kunnen vormen. Daar komt ook het idee vandaan dat de taak van journalisten is dat ze de waarheid moeten ‘vinden’. De waarheid is vanuit deze optiek iets dat door journalisten ontdekt en doorverteld moet worden. James W. Carey kiest een ander vertrekpunt.[3] Kranten en andere media zijn voor hem niet in de eerste plaats zenders die nieuws verspreiden, maar platforms waarop in onderlinge interactie gezocht wordt naar een gemeenschappelijk verstaan. Gebeurtenissen worden geduid en in perspectief geplaatst. Steeds opnieuw worden gemeenschappelijke overtuigingen bevraagd en op hun merites beproefd. Op die manier worden tradities van denken geactualiseerd en ook voortgezet. Carey noemt dit een rituele benadering van communicatie. Ik kan van harte met die benadering instemmen. Journalisten zijn er niet in de eerste plaats om nieuws te brengen, maar om het gemeenschappelijk gesprek te faciliteren en goed op orde te houden. Daar hoort ook bij dat journalisten steeds kritische vragen stellen bij wat gezegd wordt en de gemeenschap die ze dienen een spiegel voorhouden. Niet als afstandelijke buitenstaanders, maar als betrokken deelnemers. De oudtestamentische profeten riepen het volk Israël steeds op terug te keren naar de eigen missie en kernwaarden. Ze maakten onderdeel uit van het volk en spraken hen als geloofsgenoten aan.[4] Journalisten hebben een vergelijkbare functie. Ze moeten de gemeenschap die ze dienen terugroepen naar wat echt de waarheid dient.

Wetenschap versus journalistiek
In de inleiding kondigde ik al aan dat hoewel spreken in termen van waarheidsvinding te hoog gegrepen is voor de journalistiek, het toch zinvol blijft om journalistiek met een zoeken naar waarheid te blijven verbinden. Waarheidsvinding, zo hebben we gezien, is niet een specifieke taak van journalisten, maar is een gezamenlijke opgave van een gemeenschap van burgers. Journalisten kunnen gemeenschappen hierin begeleiden en op die manier de waarheid dienen. Maar wat houdt dienen van de waarheid precies in? In de gevangenis van Tegel, waar hij vastgehouden werd door de Nazi’s, schreef Dietrich Bonhoeffer een boeiend essay over wat het betekent de waarheid te spreken. Voor Bonhoeffer heeft waarheid te maken met het volle leven. De waarheid spreken is meer dan je woorden in overeenstemming brengen met een feitelijke stand van zaken. Waarheid gaat om een levenshouding waarin waarachtigheid en oprechtheid centraal staan. Iedere situatie vereist weer dat de juiste keuzes worden gemaakt en de juiste woorden worden gesproken.[5] 

Er staat iets op het spel
In het lectoraat Journalistiek en Communicatie van de Christelijke Hogeschool Ede hebben we een aantal jaren gewerkt aan een visie op betrokken journalistiek. We zochten een vorm van journalistiek waarin recht wordt gedaan aan mensen en situaties. Onder andere het genoemde essay van Bonhoeffer inspireerde ons daartoe. Recht doen aan mensen en situaties betekent dat zaken op een eerlijke en juiste manier worden weergegeven. Maar het is meer dan dat, je houdt ook rekening met maatschappelijke verhoudingen. Ook al is iets waar, dat betekent nog niet dat het per definitie ook gezegd moet worden. Dat hangt sterk van de situatie af. De waarheid dienen kan niet zonder praktische wijsheid. Ten derde heeft waarheid ook met levensrichting te maken. De waarheid dienen betekent dat je keuzes maakt, goed en kwaad van elkaar onderscheidt en leugenachtigheid bestrijdt.[6] De existentiële diepte die waarheid heeft, moet journalisten bescheiden maken. Ze hebben niet zelf de waarheid in pacht. Tegelijkertijd laat die existentiële diepte ook de ernst van hun beroep zien. Journalistiek is niet vrijblijvend, er staat iets op het spel. En soms brengt dat ook grote risico’s met zich mee, zeker nu de polarisatie in onze samenleving toeneemt en daarmee ook het geweld tegen journalisten.

Als we waarheid op deze manier verbinden met het volle leven en met existentiële keuzes die moeten worden gemaakt, wordt ook inzichtelijk waarom journalisten doorgaans wel in termen van waarheid spreken, terwijl wetenschappers dat niet doen. De positie van een journalist is anders dan die van een wetenschapper. Journalisten zijn practitioners. Ze zijn betrokken op het publieke debat en hebben daarmee een praktische taak. Ze moeten in een gegeven situatie handelen en in dialoog met deze situatie op de juiste manier reageren.[7] Daar is vakmanschap voor nodig. Wetenschappers staan meer op afstand. Ze abstraheren van de betreffende situatie en proberen vanuit een specifieke blikrichting deze situatie in kaart te brengen. Dat levert nuttige kennis op, die ook goed door practitioners kan worden gebruikt. Deze kennis is echter juist nuttig omdat het vanuit een toeschouwersperspectief, en vaak ook achteraf, wordt gegeven. Daar waar journalisten op gevoel en intuïtie moeten handelen, hebben wetenschappers de tijd om op zaken te reflecteren en die van meerdere kanten te bezien. Ze nemen een theoretische denkhouding aan, waardoor kwesties meer transparant worden, maar waardoor ook de complexiteit en urgentie die het volle leven kenmerken uit het zicht verdwijnt.Journalisten moeten in de hitte van de strijd een actueel standpunt innemen

Het verschil dat ik hier maak tussen journalistiek en wetenschap, en daarmee tussen praktijk en theorie, is overigens niet absoluut. Journalisten schrijven bijvoorbeeld achtergrondverhalen of doen aan onderzoeksjournalistiek. Omgekeerd meldt de maatschappelijke urgentie zich natuurlijk ook op de universiteiten en laboratoria. Wat moet je doen als klimaatwetenschapper als alleen feiten vertellen niet meer helpt? Of als complottheorieën circuleren die makkelijk ontkracht kunnen worden? Moet je dan toch de barricades opgaan? Echter, ook al is het verschil relatief, het verklaart wel waarom wetenschappers, die als beroepsbeoefenaars wat meer op afstand staan van het volle leven, liever niet in termen van waarheid spreken. Dat is ook terecht. Zeker in de exacte wetenschappen geldt dat wat wetenschappers doen vaak niet meer is dan kennis verzamelen. Kennis die uiterst nuttig is om goed geïnformeerd te zijn, maar die uiteindelijk toch abstract blijft. Iets vergelijkbaars geldt voor de geesteswetenschappen, al is daar het onderscheid tussen theorie en praktijk diffuser. Wetenschappers hebben doorgaans meer institutionele ruimte om hun eigen oordeel op te schorten en zaken van meerdere kanten te bekijken. Van journalisten wordt verwacht dat ze onmiddellijk weten te handelen, dat ze in de hitte van de strijd een actueel standpunt kunnen innemen.

Diepe polarisatie
Journalisten spreken vaak over hun vak in termen van waarheid of van waarheidsvinding. In het voorgaande hebben we betoogd dat zoeken naar waarheid weliswaar een belangrijk taak is van journalisten, maar dat dat zoeken altijd in dialoog met andere partijen behoort te gebeuren. Burgers zijn zelf verantwoordelijk voor de manier waarop ze hun opinie vormen. Journalisten kunnen hen daarbij echter wel ondersteunen. Ze hebben de taak om de hygiëne van het publieke debat te bewaren, zodat in het debat zoveel mogelijk recht kan worden gedaan aan mensen en situaties. Zeker in een tijd van diepe polarisatie wordt veel van journalisten gevraagd, terwijl de maatschappelijke waardering laag is te noemen. Daar waar wetenschappers wat meer afstand kunnen bewaren, moeten journalisten direct in actie komen en moeten snel complexe situaties kunnen doorzien. Er staat iets op het spel, namelijk het scheppen van een klimaat waarin waarheid en recht kunnen opbloeien en leugen bestreden wordt. 

Prof. dr. ir. J. van der Stoep is bijzonder hoogleraar christelijke filosofie aan de Theologische Universiteit Utrecht en aan Wageningen University & Research. Van 2008 tot 2021 was hij lector aan de Christelijke Hogeschool Ede, onder andere bij Journalistiek en Communicatie.

  1. Schudson, Michael. 2013. ‘Reluctant Stewards: Journalism in a Democratic Society’. Daedalus 142 (2): 159-76. https://doi.org/10.1162/DAED_a_00210.
  2. Stoep, Jan van der. 2016. Deugt het verhaal? Herontdekking van het ambacht in journalistiek en communicatie. Ede: Christelijke Hogeschool Ede.
  3. Carey, James W. 2009. Communication as culture: essays on media and society. New York: Routledge.
  4. Walzer, Michael. 1993. Interpretation and Social Criticism. Cambridge, Massachusetts: Harvard University Press.
  5. Bonhoeffer, Dietrich. 2012. Aanzetten voor een ethiek. Zoetermeer: Boekencentrum. p. 326-334.
  6. Stoep, Jan van der. 2018. ‘De gelaagde waarheid van de journalistiek’. Christen Democratische Verkenningen 2018 (1), p. 104-107.
  7. Schön, Donald A. 2013. The Reflective Practitioner: How Professionals Think in Action. Farnham: Ashgate.